Sonja Prins
Ravensbrück
Ravensbrück
Wij hebben deze grond vervloekt met ons bestaan
van mensen die vroeg of laat ten onder gaan -
getrapt, geslagen, zonder voer zwaar werk.
's nachts in een beestenstal, wie merkt
't als daar zonder licht weer een gestorven is?
zij hoeft niet meer appèl te staan als 't morgen is,
in schemerdonker voor de bloks - de straten vol -
één wond haar voeten en haar ogen hol
van honger die als een schaduw altijd bij haar blijft.
Zij hoeft niet bang te zijn voor 't vuil dat bovendrijft
en haar besmeurt.
Alleen het slechte soort gedijt in deze hel
van dwangarbeid. Het zet zich vast op ons als een gezwel
en woekert voort, het gif gaat door ons bloed,
blijft nu daarin - wij zijn niet gaaf meer en niet goed.
Ik kan niet slapen 's nachts want als ik slaap
is het mijn eigen stem die kermt, en vaak
komt dan de dag nog onverwachts en haalt ons uit het graf
van onze korte nacht. Wij staan verblind en laf
vol bitterheid. Wij weten niets, geen zekerheid
die mensen van ons maakt. Het is de hoogste tijd
dat dit ten einde gaat.
Wij hebben afgedaan,
wij zijn nu oud en ziek. Wij zullen gaan
in een stil oord, als hier de nieuwe tijd begint.
Alles was toch voor niets en had geen waarde
nu wij gevangen zijn en de verdorde jaren
rijgen aan een ketting van herinnering.
Geen spoor blijft over van verdriet en pijn
als wij hier niet meer zijn.
Sonja Prins
Op een kwade dag werd Sonja Prins gearresteerd en naar de gevangenis in Scheveningen overgebracht. Tot haar verbazing was haar moeder eveneens opgepakt en ontmoette ze haar in die Scheveningse gevangenis. Sonja werd veroordeeld tot eenzame opsluiting, de aanklacht was niet bekend. Ze vermoedt dat men haar verwarde met haar moeder.
Ze werd in 1942 op transport gezet naar Mecklenburg. In Ravensbrück waar ze uiteindelijk terechtkwam waren toen twee groepen: de Poolse meisjes en de Nederlandse. Die Nederlandse dames waren politieke gevangenen; de Poolse meisjes waren opgepakt omdat ze niet Arisch waren. Om diezelfde reden hadden de Nederlandse meisjes er een streepje voor bij de kampleiding. .
Ondanks de terreur en willekeur, de ziekte en de honger probeerden de vrouwen de moed er in te houden. Sonja herinnert zich dat ze met de meisjes een stuk van Shakespeare instudeerde rond de kersttijd. "In Engeland had ik Shakespeare leren kennen toen ik er op een Daltonschool zat. “.
“Het stuk 'Mitsommernachtstraum' uitvoeren resulteerde erin dat de Poolse en Nederlandse meisjes iets samen gingen doen en dat maakte mij heel gelukkig." Het stuk was een groot succes en werd door de dames opgevoerd voor de Duitse soldaten en burgers tijdens Kerst.
Deze tekst is ontleend aan een interview van Jeanny Wouters met Sonja Prins in 2003 verschenen in Het Weekblad.
Het zal niemand verbazen dat deze periode Ravensbrück een belangrijke plaats inneemt in haar werk.
Uit: Het boek van de cineast. Gedichten geschreven tussen 1930 en 1980 10,00 euro ISBN 90-6728-198 -0 Uitgeverij Papieren Tijger Breda 2006.
<< Terug naar Kunst en Kultuur
<< Terug naar Poëzie - Pagina